Top 10 similar words or synonyms for palatinum

ischii    0.871641

praemaxillare    0.846893

pisiforme    0.825304

pubis    0.822739

pteroide    0.814481

coccygis    0.804022

naviculare    0.794867

ilium    0.784757

pterygoides    0.784717

basioccipitale    0.781792

Top 30 analogous words or synonyms for palatinum

Article Example
Os palatinum Het os palatinum of gehemeltebeen is een bot van de schedel dat het achterste deel van het harde verhemelte (palatum) vormt. Het wordt onderverdeeld in een horizontale en een verticale plaat, de "lamina horizontalis" en de "lamina perpendicularis".
Os palatinum Bij schisis is het vaak een van de aangedane beenderen.
Os pterygoides Het os pterygoides is een dubbel botje in het palatum van vele gewervelden. Het zit achter het os palatinum.
Zacht verhemelte Het zachte verhemelte of velum (Latijn: "palatum molle" of "velum palatinum") is de tweede helft van het verhemelte, ofwel het gedeelte dat zich het meest achteraan in de menselijke mond bevindt.
Georg Joachim von Lauchen Na zijn dood publiceerde zijn student Valentinus Otho in 1596 een uitbreiding met 100.000 waarden van 10 decimalen "Opus palatinum de triangulus," op 1500 bladzijden, gebruikt tot in de 20e eeuw.
Garudimimus Aan de onderkant van de hersenpan is de onderzijde van het parasfenoïde bollend, een mogelijk teken van de aanwezigheid van luchtholten. Het pterygoïde is driestralig met een dun voorste uitsteeksel. In het verhemelte heeft het "os palatinum" een driehoekige vorm en een groeve op de bovenkant. Het ectopterygoïde aan de zijkant van de onderkant van de schedel is gepneumatiseerd.
Valentinus Otho Op aanraden van Caspar Peucer ging hij naar Heidelberg, waar hij in 1596 het werk "Opus Palatinum de triangulis" in Neustadt an der Haardt liet uitgeven. Het betrof tabellen met 100.000 waarden van de zes goniometrische functies sinus en cosinus, tangens en cotangens, secans en cosecans met 10 decimalen op 1500 bladzijden. Die werden gebruikt tot de opkomst van de computer en de rekenmachine in de 20e eeuw.
Scipionyx De onderkant van de schedel van "Scipionyx" is redelijk bekend doordat de verschillende elementen grotendeels door de zijopeningen zichtbaar zijn. Zoals bij alle theropoden is de onderzijde een delicate en complexe constructie met vele gaten. Het achterste twee derden deel wordt bijeengehouden door beide pterygoïden. Het pterygoïde heeft een lange voorste tak die vermoedelijk het ploegschaarbeen raakte. De ploegschaarbeenderen of vomeres zijn dunne botten die de voorste middenlijn van het verhemelte vormen. Bij het zeer jonge holotype waren ze vooraan nog niet vergroeid en in het fossiel zijn ze verschoven geraakt. Meer naar achteren loopt een tak van het pterygoïde schuin zijwaarts naar het vierstralige "os palatinum", het verhemeltebeen dat ook nog met het ploegschaarbeen, de maxilla en het jukbeen verbonden is. Het raakvlak tussen pterygoïde en palatinum is beperkt doordat het doorboord is door twee openingen: een kleine vooraan en een grotere achteraan. Nog meer naar achteren wordt het pterygoïde geraakt door een T-vormig uitsteeksel, de "processus pterygoideus", van het ectopterygoïde dat de verbinding vormt met het middelste jukbeen. De voorste balk van dat uitsteeksel loopt langs de palatinale tak van het pterygoïde naar voren door zodat het ectopterygoïde net een puntcontact maakt met het palatinum. Het pterygoïde heeft echter weer achter de "processus pterygoideus", opnieuw gescheiden door een opening, een eigen tak naar het jukbeen lopen. Naar achteren toe daalt het niveau van het pterygoïde eerst omdat het verhemelte hoger ligt dan de onderkant van de hersenpan. Iets achter de tak naar het jukbeen echter buigt het pterygoïde in een rechte hoek omhoog waarbij een brede vleugel gevormd wordt die met zijn achterrand de verbinding vormt met het verticale quadratum, de onderste achterhoek van de schedel. Deze vleugel wordt vooraan door een opstaand driehoekig epipterygoïde verbonden met het laterosfenoïde, de zijkant van de onderste hersenpan.
Musculus pterygoideus medialis De musuculus pterygoideus medialis bevindt zich aan de mediale zijde van de mandibula, in de fossa infratemporalis. De spier is rechthoekig en multipennaat, wat wil zeggen dat de spiervezels relatief kort zijn, en hecht voor het grootste deel aan via aponeurosen. Het grootste, achterste gedeelte van de spier ontspringt in de fossa pterygoidea, aan de mediale zijde van de lamina lateralis van de processus pterygoides. Een kleiner, meer naar voren gelegen deel hecht aan de processus pyramidalis van het os palatinum en aan het tuber maxillae.
Daspletosaurus Op het achterhoofd is de knobbel die contact maakt met de nek, de "condylus occipitalis", tamelijk naar achteren gericht in plaats van meer naar beneden, zodat het hoofd als geheel niet zo sterk afhing als bij "Tyrannosaurus" of "Albertosaurus". Het ongepaarde bot dat de middelste bovenkant van het achterhoofd vormt, het supraoccipitale, is gepneumatiseerd: bij één exemplaar, TMP 94.143.1, kon door breuk worden waargenomen dat de botwanden maar twee millimeter dik waren en de interne luchtholten samenvloeiden met die binnen de grote zijuitsteeksels, de "processus paroccipitales". Russell stelde in 1970 dat "Daspletosaurus" van andere tyrannosauriden afweek doordat de uitholling van het basisfenoïde aan de onderkant van de hersenpan slechts een enkelvoudig foramen bezat, een opening in de lengterichting; Robert Thomas Bakker nam in 1988 gepaarde maar slechts gedeeltelijk gevormde foramina waar. Carr beweerde echter in 1999 dat dit element in wezen niet anders gevormd was dan bij verwante soorten, met de uithollingen net als bij "Tyrannosaurus" wat breder en meer naar achteren gelegen dan bij "Gorgosaurus". Twee uitsteeksels aan de onderste hersenpan, de "tubercula basilaria", zijn vrij groot als bij "Gorgosaurus", niet gereduceerd zoals "Tyrannosaurus" ze bezit. In het verhemelte is het ectopterygoïde bij volwassen exemplaren aanzienlijk gezwollen door pneumatische uithollingen. Het "os palatinum" is driestralig, zonder tak naar het jukbeen, en niet trapeziumvormig zoals bij "Tyrannosaurus". De achterste zijkant ervan wordt doorboord door een enkelvoudig foramen dat vrij klein is. De bijkomende opening tussen het "os palatinum" en het pterygoïde is vrij groot.